Categorie archief: boekcitaat van de week

Bc #85: Gustave Flaubert

‘Is u wel eens overkomen,’ vroeg Léon, ‘dat u in een boek een vaag idee aantrof dat u zelf al eerder had, een beeld dat vervaagd is en weer opdoemt uit een ver verleden, en dat een volledige weergave lijkt van uw meest verborgen gevoelens?’

(Uit: Gustave Flaubert, Madame Bovary (orig. [1857], vert. Hans van Pinxteren), Amsterdam: L.J. Veen, 2007, 105)

Advertenties

Bc #84: Vladimir Nabokov

Leonard Blorenge, hoofd van Franse Taal en Letteren, onderscheidde zich door twee interessante kenmerken: hij hield niet van literatuur en sprak geen Frans. Dit weerhield hem er niet van enorme afstanden af te leggen om congressen over de moderne talen bij te wonen, waar hij met zijn onkunde te koop liep alsof het een majesteitelijke gril was en met grove stoten van gezonde vrijmetselaarshumor elke poging om hem te verlokken tot haarkloverijen over het parleevoe, pareerde.

(Uit: Vladimir Nabokov, Pnin (vert. Else Hoog). Amsterdam: De Arbeiderspers, 1987, 139)

Bc #82: Karel Čapek

Dat was nu juist [Jezus’] fout, dat hij geen geduld had. Hij wilde één twee drie de wereld verbeteren, tegen haar zin. Dat gaat niet. Hij had er niet zo vierkant en overijld op af moeten gaan. De waarheid moet gesmokkeld worden, in stukkies en beetjes, opdat de mensen eraan wennen. En niet één twee drie: verdeel alles wat je hebt, en dat soort uitspraken. Dat is een verkeerde methode. Hij had ingetogener moeten zijn bij wat hij deed.

(Uit: Karel Čapek, Kleine apocriefen (orig. Kniha apokryfů, trans. Aimé van Santen), Amsterdam: Jacob van Campen, 1949, ‘Ananias spreekt tot Benchanan’, 102)

Bc #81: Witold Gombrowicz

Ik kon … mijn geheugen helpen, van maand tot maand een tocht door het verleden maken, maar waartoe? Wat kon ik, vraag ik u, met die litanie van details beginnen, hoe die hoeveelheid belevenissen in je op te nemen, terwijl elk van hen uiteenviel in een zwerm minuscule feitjes die tenslotte tot nevel verdampten – je zag je omringd door miljarden partikeltjes, opgelost in een ongrijpbare continuïteit …

(Uit: Witold Gombrowicz, Dagboek Parijs-Berlijn (orig. Dziennik III. [1953-69], vert. Paul Beers). Amsterdam: Moussault’s Uitgeverij, 1972: 31)

Bc #80: Marcel Proust

[Z]elfs ten aanzien van de onbeduidendste dingen van het leven zijn wij niet een vast stoffelijk geheel dat voor iedereen gelijk is zodat ieder er slechts kennis van hoeft te nemen als van een vrachtbrief of een testament; onze sociale persoonlijkheid is een geestelijke schepping van de anderen. Zelfs de zo eenvoudige gebeurtenis als ‘het zien van een kennis’ is voor een deel een geestelijke activiteit. Wij vullen de fysieke verschijning van de mens die wij zien op met alle ideeën die wij over hem hebben en van het totaalbeeld dat wij ons voorstellen maken deze ideeën zeer zeker het grootste deel uit.

(Uit: Marcel Proust, Combray (vert. C.N. Lijsen), Amsterdam: De Bezige Bij, 1984. 24)