Kitsch

512380421_897a37345a_b

Rogiro, Amsterdam Kitsch (2007)

Eerder schreef ik hier over clichés, maar wie het eenmaal over clichés heeft kan onmogelijk om kitsch heen. En net als met clichés wordt de term kitsch op een hele trits dingen geplakt, variërend van theepotten en zangers tot films – met name filmpubliek is erg groot liefhebber van het in de mond nemen van het woord kitsch. Heeft het dan ook altijd dezelfde betekenis? Er schemert iets doorheen van een gemeenschappelijke inhoud, maar om die helder te krijgen is het zinvol om de kitschkluwen eens grondig te ontrafelen.

Zoals het woord al suggereert, heeft kitsch zijn oorsprong in Duitsland. Vanaf rond 1860 werd het door kunsthandelaars in de buurt van München gebruikt om goedkope, populaire en vermarktbare namaakschilderijen en overige kunstproducten te omschrijven. Hermann Broch betoogde verder in 1933 dat de essentie van kitsch imitatie is: kitsch bootst roekeloos zijn directe voorganger na, waarbij het beoogt om alleen het ‘prachtige’ en niet het ‘goede’ over te nemen.

Ook Anton Zijderveld windt er geen doekjes om: “Kitsch komt altijd aan bestaande smaken tegemoet”, zo stelt hij. Esthetische vernieuwing en oorspronkelijkheid behoren nooit tot heur streven. Het draait allemaal om een snelle en vlotte bevrediging van de consument, door middel van “oudbakken technieken en versleten thema’s … die op hun beurt weer versleten emoties aanspreken”.

Met name in de kunstwereld heeft het woord kitsch een peilloos negatieve bijsmaak. Het is een samenballing van àlles wat je in de kunstenwereld maar verkeerd kan doen of zeggen. Het kitschproduct is jatterig, niet authentiek en onoprecht – met name dat laatste wordt vaak als een kwalijke zaak gezien. Bovendien komt kitsch aan bestaande smaken tegemoet, en klantgerichtheid is natuurlijk een doodzonde als het gaat om hoge kunst.

Zo bezien is kitsch, net als het stereotype, een subcategorie van het cliché. Het cliché is door herhaaldelijk gebruik zijn waarde in een sociale context verloren. Kitsch is evengoed uitgesleten communicatie die aan elkaar hangt van “oudbakken technieken”, maar is niet volledig vrij van intenties; het heeft namelijk wel het beoogde doel om de “bestaande smaak” te behagen.

Een goed voorbeeld hiervan is Binjamin Wilkomirski’s vervalste autobiografie Brokstukken, hier al eerder uitgebreid besproken. Als je dit boek zonder voorkennis leest, dan werkt het in zijn naïeve directheid schokkend: het leest als de onopgesmukte uitdrukking van een daadwerkelijk doorgemaakte lijdensweg. Wanneer je je echter bewust wordt van Wilkomirski’s leugen, dan betreedt het – volgens de definities hierboven – het domein van de kitsch.

Brokstukken is natuurlijk een culturele uiting die voorbestemd leek om als praktijkvoorbeeld van kitsch te fungeren. Zijderveld draagt het ook buitengewoon werkbare voorbeeld van Hedwig Courts-Mahler aan, de vroegtwintigste-eeuwse veelschrijfster die in haar romans de dramatis personae altijd door generiek blinde compassie en liefde laat opdrijven, en de natuur altijd Duits-romantisch en oogverblindend stralend beschrijft.

De realiteit zou echter de realiteit niet zijn als die niet zo weerbarstig was als ze is. Het eerste bezwaar tegen de haternij aan het adres van de kitsch is dat het per definitie uitgaat van slechte en leugenachtige intenties. De vinnige autobiograaf die als een ware Casanova de toegang tot de ziel van zijn lezersschare vindt door een beroep op goedkope emoties te doen, dat is natuurlijk ook nogal wat – zeker als je het leest in de overtuiging dat de schrijver de waarheid spreekt.

In het geval van literaire fictie wordt het al wat moeilijker om grip te krijgen op de intenties van de schrijver: Courts-Mahler bewandelt onmiskenbaar een veilig en platgetreden pad van hoogromantische natuurbeschrijvingen, maar zou dat nu echt met zulke slechte bedoelingen gedaan zijn? Het artistieke bezwaar tegen kitsch weegt hier waarschijnlijk zwaarder: ze put uit een bron die al veel langer bestaat en die zijn emotionele kracht al heeft bewezen, en ze reproduceert slechts, zonder daarbij moeite te doen om het felbegeerde ‘eigen geluid’ te zoeken.

De vraag is of dat eigen geluid wel in iedere situatie zo begeerlijk is – authenticiteit kan namelijk ook erg vermoeiend zijn. Is het niet juist prettig om af en toe te weten waar je aan toe bent op emotioneel gebied? Clichés vormden, ondanks dat het holle frasen waren, een belangrijk smeermiddel om de daad van het communiceren te kunnen bedrijven; op diezelfde manier kan van kitsch gezegd worden dat het een smeermiddel is om eens stevig die uitgesleten emoties de vrije loop te laten. Mits je je bewust bent van de kitsch en het niet gaat verwarren met de werkelijkheid, valt daar vrij weinig op af te dingen.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s